donderdag 26 maart 2009

Wereldvreemd

Mensentaal behoort voor politici tot de absolute onmogelijkheden. Het lijkt een bovenmenselijke inspanning van ze te vergen om te zeggen wat er aan de hand is, zonder nevelslierten.
Misschien schamen ze zich wel voor het feit dat hun wereld van begrippen zo simpel is.
Als democratie maar een eenvoudig ding zou zijn lijken ze zelf minder interessant.
En democratie is verdomd simpel.

Democratie betekent dat het volk om de zoveel jaar de getalsverhoudingen opnieuw vaststelt.
Tussen twee verkiezingen in staat het de politici vrij het beste met het land voor te hebben.
Ze mogen doen wat ze voor hun belangengroep goeddunkt, ze mogen zelfs een keertje het welzijn van het hele land bij hun overwegingen betrekken, maar ze zullen vanzelf zo slim zijn altijd een oogje op het stemvee te houden, vanwege hun herverkiezing en de continuïteit van hun hoge taak, respectievelijk comfortabele pensioen.

Dus verdedigen ze, hoe nobel en humaan verder ook, af en toe een exclusief belangetje van de eigen groep en doen ze iets herkenbaars voor hun specifieke kiezerssegment.
De christenen door op zondag ostentatief naar de kerk te gaan, de liberalen door bekakt te spreken, de socialisten door de mouwen op te stropen, of te doen alsof, en zo voort.
Dat is begrijpelijk.

De belangen van je kiezers dienen en zelfs af en toe hun hand vasthouden is geen populisme.
In de definitie van de democratie liggen de begrenzingen van het populisme besloten.
Democratie hoort regering en parlement voldoende ruimte te bieden om onheil te voorkomen, ook al wenst het volk dat onheil; om impopulaire maatregelen te nemen, als die op langere termijn voor het volk voordeliger zouden uitwerken; om niet voortdurend de clown te hoeven spelen en de gelukzalige idioot, maar voldoende tijd over te houden voor een goed boek, culturele verdieping of bijscholingscursussen.

Maar naarmate het populisme groeit vermindert de democratie. De grenzen van de democratie zijn vloeibaar, democratie kan krimpen. Krimpen tot alleen het woord democratie overblijft.

Wie zegt dat het zo’n vaart niet loopt met de gevaren van het populisme deelt in feite mee dat het zo’n vaart niet loopt met de afbraak van de democratie. Zo iemand liegt dus dubbel.
De afbraak wordt versneld door factoren die elkaar versterken. De politieke partijen zijn op elkaar gaan lijken. En als het onderscheid tussen de partijen vervaagt zal een politicus ineens het hele volk moeten gaan behagen, vooral als hij als partijlid ook nog eens wil promoveren en minister wil worden.

Je ziet geen kamerlid meer of hij is bezig te solliciteren naar de positie van minister-president.
Op de ultieme zeepkist die televisie heet.

De media en de gelijkgeschakelde partijen stimuleren wederzijds deze hoogst gewenste schaalvergroting. Elk streven is gericht op de zo groot mogelijke groep. Bij de partijen, de omroepen, de organisatoren van evenementen.
Daaruit volgt met ijzeren logica dat steeds meer minderheden in het gedrang komen.
En dat we steeds meer aansturen op één partij.

Op het ogenblik hebben we er in elk geval nog twee.
De gezonde Hollander en de vreemdeling.
Godbewaarme.

Waarom kijkt niemand uit zijn doppen?
Wat is er van de nacht?
Waarom doet iedereen zo vergoelijkend over al die toffe jongens die de media en de politiek bevolken, over Rita-zus en Jan-Peter-zo en Joop-van dattem met hun volkse deuntjes?

Laat ons vooral niet vergeten, al kost dat de Nederlanders moeite, dat ook in de wereld rondom ons dingen gebeuren. Alle dingen gebeuren in de wereld. Politici proberen mee te hollen met de schaalvergroting die de strijd tegen het terrorisme met zich meebrengt, maar hoe holt een wereldvreemde met de wereld mee?

Sommige politici proberen het enthousiasme waarmee de zwakke resten van onze laatste nationale deugdjes aan de wereldpolitiek worden opgeofferd in alle toonaarden te ontkennen. Het benadrukt alleen het lokale en provinciale karakter van die politici.
Waarschijnlijk hebben ze hun afhankelijkheid en marionettenrol niet eens door.

woensdag 18 februari 2009

Toppunt van eigendunk

Mijn bibabundel verschijnt aanstaande september bij uitgeverij de Kwetterende Kat. Lees hier alvast pagina 7 t/m 12 (de 'oercyclus')!

Morgenavond ben ik persoonlijk bij te wonen in de poëzieschuur in Waddinxveen. Aanvang half elf. Komt dat zien!

Ik krijg subiet eczeem van zulke zelfpromotieblogs.

Maar niettemin, hier het interview met Martijn Benders.

maandag 2 februari 2009

Librisprijs

In letterenland is altijd iets te doen. 'Nadat diverse klachten waren te horen over de longlist die de organisatie van de Libris Literatuurprijs deze week publiceerde, kwam Boekblad erachter dat meerdere uitgeverijen tekort waren geschoten in het inzenden van de boeken uit hun fondsen,' schrijft de NRC.

Boekblad heeft de groslijst gepubliceerd waarop de boeken staan die onder de ogen zijn gekomen van de directie en het bestuur en de benoemingscommissie en de juryleden van de firma Libris, voor al uw kook- en kleurboeken.

Een serieuze kandidaat als Christiaan Weijts komt er niet op voor. Hans Münstermann ook niet. Gerrit Komrij ook niet, maar dat terzijde.
Gewoon niet onder ogen gehad.
De Librisprijs voor een willekeurig percentage van uw Nederlandse literatuur.
Het doorspelen van de zwartepiet kan beginnen.

Bestaat er echt een schrijver die enige interesse kan opbrengen in wat de firma Libris bezielt?

Toch komt er bij zo'n bericht altijd een vraagje in me op.

Ze zeggen dat het jaarlijkse prijzenspektakel van dat soort firma's mooi is voor het verkopen van boeken en zelfs voor het bevorderen van literatuur.
(Met al die instellingen die Nederlanders hebben voor 'het bevorderen van literatuur' zou je bijna denken dat er vooral onaantrekkelijke boeken worden geschreven.)
Literaire filantropie!

Daarom (dit is het vraagje) vind ik het opmerkelijk dat onder het hele Librisstel niet één brave ziel gevonden kon worden die voldoende geïnteresseerd was in literatuur om een beetje bij te houden wat er in 2008 verscheen. Of welke lacunes de groslijst met gratis (en waarschijnlijk in veelvoud) toegezonden boeken vertoonde.
Fluitje van een cent, lijkt me.

Ze hadden er ook een zonderling die wel eens een boek leest voor kunnen inhuren.

En voorts (vervolg van het vraagje) vind ik het opmerkelijk dat niemand van het hele stel bereid is gebleken zelf een boek te kopen. 't Kan ook zijn dat er nergens een goeie boekhandel te vinden was.

Waarom moeten wij doen wat de firma Libris zelf vertikt?

donderdag 29 januari 2009

Landschapjes met boeken (2)





Met mijn culturele activiteiten gaat het beroerd. Er zijn hier geen culturele activiteiten. De cultuur, c’est moi. En boeken om te lezen, ach, ik haal vaak alleen de eerste vijf bladzijden. Ik herlees veel ruggen van boeken. De laatste maand bied ik fanatiek mee op eBay, Amerikaanse boeken vooral. De dollar lijkt niets waard.

Ik weet niet of het aan de economische crisis ligt of aan mijn behendigheid en boekenkennis, maar ik heb veel te veel succes. Kopen heet bij eBay ‘winnen’. Ik win Amerikaanse kinderboeken uit de tijd van de burgeroorlog, ik win boeken over stoomlocomotieven, ik win boeken over goochelaars, ik win boeken over homoseksuelen op Capri. Ik koop ze allemaal, als het jasje erom maar mooi is.

Uren besteed ik vervolgens aan het invullen van formulieren om de bureaucratische douanebeambten hier zover te krijgen dat ze al die boeken de grens over tillen. Dan zet ik ze op de plank.

’t Is een bekend verschijnsel, koopaanvallen bij een depressie. Cultuur kun je het niet noemen.

’s Avonds ben ik dolgelukkig dat Eveline uit Connecticut me mailt met de mededeling dat ik een first class buyer ben en of ik haar alsjeblieft positieve feedback wil geven.

In slaap vallen met een intens gevoel van dankbaarheid omdat Eveline uit Connecticut je heeft gemaild, zeg nu zelf, is dat een leven?

eBay zoekt je op met scherpe klauwen en opgesperde kaken. Ik ben naar een eenzame plek verhuisd om aan de verleidingen te ontsnappen. Internetwinkels zijn naar me toegekropen en hebben me omsingeld. Ik hoop dat het snel weer over is.

Tot zover mijn leescultuur. Ik kijk naar de plaatjes in Captain Fritz (Captain Fritz is een hond, ik win ook alle boeken met herinneringen, dagboeken en autobiografieën van honden), ik streel de rug van Longfellow, ik snuif even oude prairielucht op uit Farm Ballads, dat is het.

Voor de helft van het geld mag iemand de troep overnemen.

Landschapjes met boeken (1)





Kijkjes in de bibliotheek...

Hoe nu verder?

De Wintertuin, Crossing Border, Dichters in de Prinsentuin, Doe Maar Dicht Maar, het Poëziecentrum Nederland, enz., instellingen en organisaties die met 'de' poëzie als excuus min of meer worden gesubsidieerd en die zich in de strijd om de Dichter des Vaderlands vierkant achter één bepaalde dichter schaarden, daarmee al minstens vier dichters schofferend - moeten die nu niet overwegen zichzelf op te heffen?

donderdag 8 januari 2009

Eregast

Help! Iedereen die dacht dat er nog iets moois en levensvatbaars stak in het instituut van Dichter des Vaderlands moet nu bekennen: de Dichter des Vaderlands is het persoonlijke eigendom van Jan Kok.
Ik had nooit gehoord van een poëzie-uitbater, luisterend naar de naam Jan Kok, maar hij blijkt een eindredacteur bij de NPS, verantwoordelijk voor de verkiezingsuitzending van de Dichter des Vaderlands op 28 januari aanstaande. Iemand dus die bij de publieke omroep over de Kunst gaat en toch een publieke-omroepensalaris verdient. Salarissen die, zoals iedereen weet, niet voor de poes zijn.
Maar Jan Kok heeft honger en hij heeft ook de Dichter des Vaderlands met huid en haar verorberd.

In de Volkskrant van 7 januari verklaarde Jan Kok, die hoogstpersoonlijk de komende Dichter des Vaderlands zal redigeren, regisseren en op de kaart zetten, naar aanleiding van een verzuchting van Dichter des Vaderlands de Eerste, uw aller dienaar dus: ‘De vraag of we Komrij uit Portugal moesten laten komen, is hier nooit ter sprake gekomen. Voor Komrij hadden we op die avond geen rol in gedachten.’ Ze zouden me, legde hij uit, wel hebben binnengelaten als ik in de buurt was, maar ‘vooral uit beleefdheid’.
Jan Kok als poëzieportier.

Vanwaar ineens die ongevraagde schouderklopjes? De aanleiding was mijn verzuchting gisteren, op deze plek, over de belabberde aanpak van de DdV-verkiezing en over het belabberde programma dat die DdV-verkiezing ook ditmaal vast weer zou opleveren, ondanks de royale en deskundige inzet van Jan Kok. Over hoe literatuur in het algemeen op de treurbuis wordt mishandeld.
’t Is nu eenmaal een stokpaardje van me, mijn verbazing over dat eeuwige gesukkel van televisiemensen als ze op het scherm iets moeilijkers moeten presenteren dan een hoop stront en een fles suikerwater.
Ze zijn gul met liedjes en grappenmakers, maar als ze iets met boeken moeten doen, of met gedichten, dan worden ineens angstig en gejaagd alle zandzakken, stopborden en seinlichten in stelling gebracht.
Owee, als de arme kijker eens zou schrikken. Dan zou de arme kijker weglopen. Dan zouden er minder kijkers zijn. Dan zouden er minder advertenties zijn. Dan zouden er minder inkomsten zijn. Dan zou misschien de netmanager of - wie weet! – de eindredacteur beknot moeten worden op zijn onkostenvergoeding.
Cultuurbarbarisme met overheidssteun.
Bij de televisie blijven alleen de schijtlaarzen bovendrijven.

Ik schreef dit langs mijn neus weg en niet ‘woedend’, zoals in het Volkskrantverslagje staat. De hoofdkwestie werd weggemoffeld en het detail in de schijnwerper gezet. ’t Is de vaste gang van zaken in Nederland. Mijn ironische verzuchting dat ik er de avond van de verkiezing best bij had willen zijn om de zaak iets op te vrolijken, maar tja, dat dit voor de portemonnee van Kok en zijn Koksianen vast te bezwaarlijk zou zijn – die verzuchting werd tot de kern van de poedel uitgeroepen.
(Wat een ellende, dat je van je eigen ironie moet gaan uitleggen dat het ironie is.)
(‘De kern van de poedel’ is uit Goethes Faust. Ik ben niet te beroerd voor een beetje uitleg.)
Mijn onvrede met het bestedingspatroon van de televisiebonzen – bakken met geld voor de goorste rotzooi en met moeite een cent voor essentiëler zaken – werd geïnterpreteerd als een persoonlijke verongelijktheid. Er werd een beeld geschetst of ik er dolgraag bij wilde zijn, maar achguttegut de reis niet kon betalen. Ja, of ik van mezelf vond dat ik beslist niet mocht ontbreken, maar dat ik helaas verstek moest laten gaan wegens vergevorderde armlastigheid.
De zielepiet.
Ik had me als het ware opgedrongen en NPS wist van niks, dat was na een paar uur al het beeld.

Ik laat even de volledige e-mailuitwisseling tussen de NPS en mij volgen, zonder achterwegelating van één woord.
Het gaat om mailberichten van 12 december, 29 december en 5 januari.



12 december 2008

Goedemorgen meneer Komrij,

Zoals 4 jaar geleden organiseert de NPS een tv avond rondom de verkiezing van de Dichter des Vaderlands.
Dit programma wordt live uitgezonden op woensdag 28 januari vanuit het Werktheater in Amsterdam.
Bent u in het kader van deze verkiezing en voor gedichtendag in Nederland?
Zo ja, dan zou ik u mede namens eindredacteur Jan Kok en presentator Joost Prinsen graag als eregast willen uitnodigen voor deze avond.

Ik hoor graag van u of u wilt komen.

Met vriendelijke groet

Coby van Dijck
NPS
(tv producer)


29 december 2008

Geachte Coby van Dijck,

Ik ben omstreeks de 28ste januari niet toevallig in Nederland, dus ik
moet verstek laten gaan.

Vriendelijke groet,

Gerrit Komrij



5 januari 2009

Geachte heer Komrij,

Dat spijt ons zeer, dan moeten we het helaas hierbij houden.
Hartelijke groet

Coby van Dijck


Men ziet: ik vroeg niet om geld en er is geen geld geboden. De 250 euro uit mijn verzuchting waren literaire euro’s. Symbolische euro’s. Ironische euro’s. Euro’s om een argument te verduidelijken. Ik heb geen moment het idee gehad dat iemand dit niet zou snappen. ’t Was bovendien een literair foefje om die NPS-lui in bescherming te nemen. Want de toon van de beide brieven van de dienstmaagd van Kok is gruwelijker dan uit mijn weergave blijkt.
Ik hoefde de NPS niet eens de kans te geven een verzoek om reiskosten af te slaan, ze sloegen het al af voor er om verzocht kon worden.
Eregast.
Vrachtwagens met geld worden er bij de NPS doorheen gejaagd, alleen eer kost geen cent.

Nu, ik laat graag aan de lezer over of ‘eregast’ hetzelfde betekent als ‘onder het publiek’ of ‘geen rol’. Voor Jan Kok in elk geval wel. Jan Kok is aldoor eindredacteur van ontelbare literaire progamma’s met uitsluitend eregasten.
Eer is lucht bij die lui.
‘Wat doe jij hier?’
‘Ik wandel zomaar rond. Ik doe wat boodschappen. Ik fluit de meiden na. Ik ben toevallig toch in Nederland en ik denk dat ik maar eens bij de studio van de NPS binnenwip, want ik ben daar eregast.’

Jan Kok heeft nu in de Volkskrant zelf aangetoond wat ik bewezen wilde zien. Van het programma 'de verkiezing van de Dichter des Vaderlands' staat maanden van tevoren het format al vast, de komiek van dienst is uitgenodigd, de vijf sfeerfilmpjes van elk dertig seconden liggen klaar en een vliegende brigade van Bekende Nederlanders is geïnstrueerd om de dichters in de rede te vallen als ze een moeilijk woord dreigen uit te spreken. Op de ochtend na de live uitzending kan de hele programmastaf meteen op vakantie.
Een uitzending zonder ziel. De Dichter des Vaderlands als een stuk kauwgum in regiehanden.
Waarschijnlijk is ook de winnaar al bekend. Kok lijkt me geen type dat van verrassingen houdt.

Alles sterkt mij in het vermoeden dat deze hele verkiezing doorgestoken kaart is. In dat geval zit men helemaal niet verlegen om lessen uit het verleden. Om een eregast die een rol speelt.
Gek, dat vermoedens zo sterk kunnen zijn met zulke zwakke bewijzen.
Ik weet alleen dat mijn vermoedens bijzonder vaak zijn uitgekomen.
Niet altijd.
Dus is het vast goed zoals het is. Een elite van kunstambtenaren heeft er ongetwijfeld meer verstand van dan dat groepje ongeregelde stemmers. Lessen uit het verleden zijn alleen maar strontvervelend. Bovendien is de Dichter des Vaderlands de Here God niet.
De Here God heet Jan Kok.

Nu ernstig. Er wordt door de kunstambtenaren hier en daar nogal smalend gedaan over de inbreng die de twee eerdere Dichters des Vaderlands zouden kunnen hebben. Dat dedain lijkt me misplaatst, al begrijp ik de wens en de noodzaak van alle kunstambtenaren om steeds opnieuw het wiel uit te vinden. Ze hadden met de twee eerdere Dichters des Vaderlands eens om de tafel kunnen gaan zitten. Met een broodje kaas misschien en een glas karnemelk, het hoeft niet per se. Beide DdV’s hebben ervaringen opgedaan, fouten gemaakt, hun neus gestoten. Beiden hebben ze misschien plannen aangezwengeld die nog niet voltooid zijn of signalen opgevangen van mogelijkheden die te verwezenlijken zouden zijn. Beiden weten wat je echt niet nog eens hoeft te proberen. Is het werkelijk zo zot eens een half middagje voor een geheel vrijblijvende gedachtewisseling uit te trekken?
De Dichter des Vaderlands is een persoon, maar ook een instituut.
Er is een wisseling van de wacht, maar er is ook continuïteit.
Het instituut kan slechte dichters overleven. Maar of het ook de cultuurambtenaren overleeft?

Hoe dan ook, alles gebeurt over ieders hoofd heen. Over de hoofden van de dichters. Over de hoofden van de kandidaten. Het instituut van de Dichter des Vaderlands bevindt zich op dit ogenblik, tot mijn diepe droefenis, in een geur van instanties die parasiteren op de literatuur en die hun eigen agenda hebben.

Aan de dichters de eer! Vergeef ze hun euvele moed, als ze om een zakcent bedelen!
Het spijt me dat enkele schatten van mensen mijn taxatie van 250 euro zo letterlijk hebben genomen. Hoewel het een tikkeltje dom blijft om literatuur aan te zien voor dienstmededelingen – ik vind de bekommernis aandoenlijk.
We zijn er met die 250 euro nog lang niet, dat beseft iedereen die wel eens een uitstapje heeft gemaakt. Er komen nog de kosten bij van een geblindeerde limousine (standaard voor de Dichter des Vaderlands) en van een suite in het Amstel Hotel (standaard voor de Dichter des Vaderlands). Wat drank en eten betreft neem ik genoegen met wat Jan Kok krijgt voorgeschoteld.

Begin in Nederland een discussie over principes, en ze struikelen over geld. Alle pausen en kardinalen nog aan toe, wat was de Volkskrant er dit keer snel bij! De krant heeft een reputatie hoog te houden op het punt van misleidende koppen, en daar stond-ie dan, over vier kolommen:

NPS maakt aanval van dichter Komrij onschadelijk

Die NPS flikt het hem, je hóórt het de lezer denken. De alverdelger is gearriveerd. De dekselse Jan Kok zelf. Hij heeft niet alleen de Dichter des Vaderlands geannexeerd, hij is ook nog eens de NPS in eigen persoon.



Dichter onschadelijk gemaakt... Door de man met de flitspuit. Dezelfde flitspuit waarmee ze in televisieland alle kunst en literatuur onschadelijk maken.

Acht jaar lang heeft de Volkskrant het instituut Dichter des Vaderlands geen woord waardig gekeurd. Het was immers mede een initiatief van NRC Handelsblad. En ineens weet het krantje tussen de loftuitingen aan het adres van prins Bernhard en Geert Wilders door honderdvijfentwintig woorden in te ruimen voor de aanstaande verkiezing. Onder gelijktijdige eliminatie van een dichter in de aanval.
Of ik een insect ben.
Het lijkt of hier belediging op belediging wordt gestapeld, schrijft Coen Peppelenbos op zijn Literatuurlog. Het zit er dik in.

Ik weet niet wat het is, maar iedere keer als ik iets verkeerds doe schiet het oude wijf dat de Volkskrant heet wakker. Dat is al jaren zo. De rest van de tijd zit mevrouw te knikkebollen. Ik kan mooi wezen en dansen, ik kan krullen in mijn haar zetten en schitteren, ze verwaardigt zich in haar lethargie niet haar wenkbrauwen op een kier te zetten. Maar zie – één sproet op mijn gezicht, één mankementje en hopla, daar schiet de grijze dame als een vuurpijl overeind. Een leven lang moet iemand het doen met zo’n oplettend wijf. Ocharm. Gelukkig dat ze het grootste deel van haar tijd in totale versuffing doorbrengt.

Op sterven na dode Volkskrant, stik in je koppen! Van beleefdheid ontploffende NPS, rot op met je centen! Lieve kandidaten voor het instituut van Dichter des Vaderlands, stort de inhoud van jullie collectezak op de rekening van de poëzieclub of geef het aan de gulle gevers terug! Ik zit op 28 januari op het strand van Copacabana. Eregast van de altijd weldadige zon.

maandag 5 januari 2009

Dichter des Vaderlands

Deze maand vindt op de televisie de verkiezing plaats van de derde Dichter des Vaderlands, en Zij die over de Kunsten gaan bij de televisie hebben me gevraagd bij die avond aanwezig te zijn, 'als ik toch toevallig in Nederland was'.
't Leek me wel iets, ik zou dan eens mooi kunnen zeggen waarom dat hele Dichter des Vaderlands-gedoe me de keel uithing. Waarom al die huichelaars na de moordaanslag op Dichter des Vaderlands de Eerste nu niet ineens opnieuw moesten gaan doen of de poëzie ze een lor kon schelen.
Dat wou ik zeggen, en nog veel meer.
Maar goed, ik woon niet om de hoek.
Bij navraag bleek een vergoeding van de reiskosten onbespreekbaar. Een retourtje Portugal kost in januari nog geen 250 euro. Zoiets fabelachtigs kan er begrijpelijkerwijs niet af. De salarissen van Degenen die over de Kunst gaan bij de televisie moeten ook nog worden betaald. En het zakgeld van Paul de Leeuw.
Ik heb wel eens horen fluisteren dat ze die Paul de Leeuw vorstelijk betalen. Maar dan heb je ook een heel scherm vol.
De Dichter des Vaderlands-verkiezing op de televisie lijkt nu al een magere vertoning en een fiasco van jewelste te worden. Zelfs ik zal daar straks dus niets meer aan kunnen veranderen.

zaterdag 20 december 2008

De stoplap van Balkenende

Bij het zien van Balkenende in het programma van Pauw & Witteman

Houd een stopwatch bij het pratende hoofd van Balkenende en gegarandeerd rolt daar binnen drie seconden de frase ‘met elkaar’ uit. Ik kan Balkenendes ‘met elkaar’ niet meer horen, noch één van de variaties die ’t veelzijdig heertje daarop in petto heeft. Bij elkaar, tegen elkaar, voor elkaar, naast elkaar. Ik krijg braakneigingen als ik hem voor de zoveelste keer hoor zeggen dat de koningin zo meeleeft met elkaar. Dat we er elkaar alleen met elkaar bovenop kunnen helpen.


Uit Gouden woorden, 2004

dinsdag 2 december 2008

Beleefd aanbevelend


[Ingezonden mededeling]






Een paar norse mannen op een bankje plus een café, daarmee is een zuidelijk dorp compleet. Iedere schilder van zuidelijke dorpen weet dat. Een streep binnenplenzend licht, een schaduwrijke plataan, voilà. Ha! Daar komt de dorpsgek al aangewaggeld. Achter een gesloten luik gilt een bronstige jongedochter. Zometeen zal er met een professionele zwaai een schaap worden geslacht.
Je kunt er vergif op innemen.
Ook in mijn dorp waaien de bakkersluchten via de bakkersdeur uit de bakkersoven de straat op, knapperig en wel. Ook in mijn dorp slaat de torenklok soms een paar uur over, om bij andere gelegenheden dagen over een uur te doen. Ook in Niemandsdorp dwarrelen de oude verhalen vanzelf omhoog uit de oudemannenkelen en mediteert de hagedis op een verdwaalde molensteen, die gloeiendheet is omdat-ie ligt te bakken in de zon.
Geen vuiltje aan de lucht.
De tijd staat stil. De zon jakkert. De lavendel geurt zwoel. De oude wijfjes hebben nagels met zwarte randen.
Steeds hetzelfde.
Wat mijn dorp bijzonder maakt is...

zaterdag 29 november 2008

Druppelsgewijs

1
Ik hoor een presentator van een literair tv-programma zeggen tot Naema Tahir: 'Jij schrijft over iemand die wanhopig op zoek is naar wortels.' Ik maak de ontdekking mee van het groenteproza.

2
Polemiek en discussie in Nederland: bellenblazen voor dovemansoren.

3
- 'Had ik maar in de negentiende eeuw geleefd, dan had ik nog veel personeel gehad.'
- 'Dan was je waarschijnlijk personeel geweest.'

zaterdag 15 november 2008

Gat in de geschiedenis

Net op de dag van de Amerikaanse verkiezingen vertrek ik naar Suriname. Voor een nieuwshongerig type is dat een kwelling. Ik zit in een vliegtuig en in het vliegtuig ben je terug in het stenen tijdperk.
Zo’n apparaat mag een wonder zijn, en gezien het feit dat het zich met vierhonderd inzittenden moeiteloos boven de aarde weet te verheffen maakt ’t welbeschouwd ook tot een wonder. Dan reken ik het mooie uitzicht nog niet mee. Maar je kunt in dat wonder niet telefoneren, de toiletten zijn van kampeerterreinniveau en nieuws op de beeldschermen is er niet. Waar halen ze al die brave filmpjes vandaan? ’t Ergst van alles is het volkomen ontbreken van wereldnieuws. Een halve dag is lang.
Er slingert een Le Monde van gisteren rond die ik dan maar spel. Carlos Fuentes oppert de mogelijkheid van een Al Qaeda-aanslag vandaag. Een andere commentator brengt nog eens in herinnering dat Obama op het laatste moment vermoord zou kunnen worden. Ik zweef er majesteitelijk boven en weet van niets.
Het is een uur rijden van het vliegveld naar Paramaribo. De jungle maakt plaats voor hutten en de hutten maken plaats voor steeds rijker ogende stenen bouwsels. Ik zie branden die in de tropische hitte oplaaien en mannen die zitten te hengelen in de sloot, met hun rug naar de weg. Ik zie Indiase kitschtempels, witte moskeeën in het avondrood en een oud kerkhof dat ‘Welgedacht’ heet. Maar het lot van Obama kwelt me en het besef dat het een hete nieuwsdag is. ‘America makes history’ lees ik op een zuil. ’t Is verdomd niet de eerste keer dat America history maakt, maar toch: pestkoppen.
Ons gezelschap komt aan in het hotel. Er wordt eten en drinken gebracht, maar het televisiescherm in de lounge lonkt. Er bewegen danseressen op, er volgt reclame voor een Chinese toko in de Hartebloedstraat, maar geen nieuws. Het is een bejaard toestel, begrijpen we.
Op de hotelkamer gaat het beter. Meerdere zenders, waaronder BVN, het Beste van Vlaanderen en Nederland. Amerikaanse verkiezingen vallen blijkbaar onder Nederland. Hilversum heeft er weer een familiefeestje van gemaakt, met de vaste jongens, die voornamelijk in de weer zijn te laten zien met hoevelen ze naar New York zijn getrokken.
’t Is nog te vroeg voor een uitslag en ik val in slaap. Om vijf uur in de nacht sta ik op. Ik voel dat het zover is. Obama leeft en heeft dik gewonnen. Oeff.
Bij het ontbijt zegt een blanke man uit ons gezelschap tegen de zwarte serveerster: ‘Hartelijk gefeliciteerd met de overwinning van Obama.´
Jullie gefeliciteerd,’ antwoordt ze, zonder een moment van aarzeling.

zaterdag 18 oktober 2008

Knuffelhomo's

Ja, dat doet maar. Ongevraagd door het COC gepikt, maar niettemin aanbevolen:

Waarom zijn Nederlanders zo dol op homoseksuelen?

dinsdag 19 augustus 2008

Zinloze boekjes




De titel van het onderste zinloze boekje luidt in vertaling: 'Dient de getrouwde man zijn vrouw al of niet te slaan?'

maandag 18 augustus 2008

Niets aan de hand

Femke Halsema noemt Wijnand Duyvendak een buitengewoon integer persoon. Niets aan de hand. De columnist Rikus Spithorst verwijt Femke Halsema dat ze een persoon die oproept om in petroleum gedrenkte vodden bij de medemens door de brievenbus te duwen, gevolgd door een lucifer, enfin, hij verwijt haar dat ze zo'n persoon een buitengewoon integer persoon noemt. Niets aan de hand.

Rikus Spithorst vervolgt met: 'Ik zou het erg toejuichen als iemand eventjes buitengewoon integer het woonadres van Femke Halsema opsnuffelt, en die tent buitengewoon integer in de fik steekt.' Ik citeer letterlijk. Niets aan de hand. Rikus Spithorst bedoelt de spot te drijven met dat buitengewoon integere dat zo makkelijk in de mond werd genomen. Hij bedoelt te benadrukken dat snuffelen en in de fik steken niets met integriteit te maken hebben, laat staan met buitengewone. Alleen een slechte lezer kan er een oproep tot brandstichting in zien.

Toegegeven, Rikus Spithorst helpt de slechte lezer een handje. 't Is eenvoudigweg beroerd geformuleerd, al doet de would be-satiricus door het herhalen van 'buitengewoon integer' toch nog wel een beetje zijn best. Sinds wanneer is beroerd formuleren een reden om naar de rechter te lopen?

Dan krijgen de rechters het druk.

zaterdag 16 augustus 2008

Duyvendak revisited

Ik vond dit artikel terug, gepubliceerd in 1988 in NRC Handelsblad onder de kop Een en ander. Bij mijn weten kwam het nooit in een boek terecht. Gisteravond in Nova riep een Amsterdamse groenlinkser, net als Duyvendak neergedaald in de riant gesubsidieerde politieke til, op tot een discussie over ‘het onverwerkte verleden’ van de jaren tachtig. Die discussie zou dan vooral ‘evenwichtig’ moeten zijn. Ziehier hoe in 1988 al een poging tot evenwichtigheid werd ondernomen.


1.
Na een inbraak, vorig jaar, bij het ministerie van Economische Zaken werden in het blad Bluf! allerlei geheime documenten gepubliceerd. Nog onlangs, in het juli-nummer van dat blad, volgde onder de kop ‘Inbreken kan iedereen’ een uitgebreide lijst met namen en adressen van medewerkers van het ministerie, met daarbij de data waarop deze mensen met vakantie zouden zijn. ‘Namenlijsten’, zo luidde een ander krantenbericht, ‘van topambtenaren met de aanmoediging die lastig te vallen.’
Het naakte terrorisme is onder ons en elke golf van verontwaardiging blijft uit. Wat krantenberichtjes, en je hoort er niet meer van. Men is in Nederland altijd thuis voor een rel, en of het nu gaat om een kroonprins die een reclameshirt draagt of om een foutief geciteerd gedicht op het bankbiljet van tweehonderdvijftig gulden, het land staat er van op zijn achterste benen. Je krijgt er duizenden de straat op om te protesteren tegen regimes die er niet zijn in landen waarvan niemand weet waar ze liggen, maar als een dollemansbende van idioten zich boven de wet stelt en openlijk tot beroving en molestering van onschuldige mensen aanspoort, volgt er een complete stilte. Het geringe rumoer naar aanleiding van die laffe, rancuneuze hitserij, het verbaast me werkelijk meer dan ik zeggen kan.
Je zou zeggen dat het bestaan van zo’n groep de regering gebiedt de grootste waakzaamheid in acht te nemen, geen tegenmaatregel onbenut te laten en het hoofd pas op het kussen te leggen wanneer die complete Bluf!-bende is opgerold en tot dertig jaar dwangarbeid is veroordeeld op het duivelseiland Pampus. Een behoorlijke democratie heeft er recht op dat zulk krapuul met man en macht aan het maatschappelijk verkeer wordt onttrokken om zandafgravingen te verrichten en spoorbanen aan te leggen. Wie tot geweld oproept tegen willekeurige staatsambtenaren is in staat morgen het parlementsgebouw in de as te leggen.
Intussen doet de regering of ze doof is en besteedt al haar kostbare tijd en energie aan het redekavelen over iets onbenulligs als euthanasie. Ik bedoel niet dat het vraagstuk of men al of niet euthanasie zal plegen onbenullig is en geenszins de moeite waard om over na te denken, maar wel dat het als politiek probleem een probleem van niks is. Uiteindelijk zal de liberaal handelen volgens zijn liberale geweten – als zich dat nog ergens schuilhoudt – en de katholiek doen wat de bisschop hem opdraagt, en geen van beiden hoort elkaar daarbij de les te lezen.
Ook vraag ik me af of de kranten niet ernstig buiten hun boekje gingen door zo verlekkerd gedeelten uit de publicaties van de actiegroep ‘De Wraak van Jhr. Mr. de Brauw’ af te drukken. Het beroep op de persvrijheid lijkt me huichelachtig. Een krant heeft, net als elke burger, de plicht zich aan de wet te houden en de onderhandelingen van zijn regering of de veiligheid van zijn staat niet in gevaar te brengen. Een krant die, hoe indirect en tersluiks ook, terrorisme steunt brengt zijn eigen vrijheid in gevaar. De lafheid van dit soort terroristen blijkt vooral uit hun anonimiteit, en het blijft een goede gewoonte, voor iedereen, een anonieme vijand geen ruimte te gunnen.
De regering slaapt en de pers, onder het mom van heimelijk leedvermaak, vergoelijkt het geweld. Zonder een tegenstem, zonder enig fronsend commentaar, zonder enige verontwaardiging zal dat geweld toenemen en ons van binnenuit vernietigen. Pas als het te laat is zal het krokodillentranen vloeien.
Wat zijn we toch een dom, argeloos volk.

2.
Na een inbraak, vorig jaar, bij het ministerie van Economische Zaken werden in het blad Bluf! allerlei geheime documenten gepubliceerd. Nog onlangs, in het juli-nummer van dat blad, volgde onder de kop ‘Inbreken kan iedereen’ een uitgebreide lijst met namen en adressen van medewerkers van het ministerie, met daarbij de data waarop deze mensen met vakantie zouden zijn.
Het naakte terrorisme is onder ons. Gelukkig blijft elke golf van overreactie uit. Wat krantenberichtjes, en je hoort er niet meer van. Het is voor een land dat altijd thuis is voor een rel een verheugend bezonnen houding. Er hoeft hier maar een lid van het koninklijk huis een al te menselijk gedrag te vertonen of iedereen staat op zijn achterste benen. Er deugt geen teksteditie in onze literatuur maar zodra er een verminkt gedicht op een bankbiljet staat zien de krantenkolommen groen van woede. De mensen gaan hier massaal en gek van enthousiasme de straat op om te protesteren tegen regimes die er niet zijn in landen waarvan niemand weet waar ze liggen, maar als een dollemansbende van idioten zich boven de wet stelt en openlijk tot beroving en molestering van onschuldige mensen aanspoort doen ze gelukkig net of hun neus bloedt. Het geringe rumoer naar aanleiding van die laffe, rancuneuze hitserij, het zorgde ervoor dat ik mijn vertrouwen in de kracht van onze democratie niet verloor.
Als de regering immers had uitgepakt met veel machtsvertoon en een overdaad aan tegenmaatregelen zou die complete Bluf!-bende zijn Pampus- en Madurodam-dimensies hebben verloren en als reële vijand zijn gedemoniseerd. Ze hadden van sukkels duivels gemaakt. Het is beter dat zulk krapuul van het bestaan van een parlement niets afweet dan dat het, door een te opzichtige belangstelling van de kant van de politiek, de vaste verblijfplaats ervan ook nog eens op een presenteerschaal krijgt aangereikt.
De regering negeert zo’n ongewassen groep doelbewust. Het eindeloos ouwehoeren over zaken die uit het niets komen en tot niets leiden, het is haar beproefde en niet te evenaren afleidingsmanoeuvre. Ze doet liever of ze zich over een kwestie als euthanasie druk maakt. Ik wil niet zeggen dat die als politiek probleem geen drukte verdient, een kabinet kan er mee staan of vallen. Maar op de vraag of men al of niet euthanasie zal plegen heeft uiteindelijk geen reglementering invloed.
Ook de kranten leggen een groot verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag door zo summier uit de publicaties van de actiegroep ‘De Wraak van Jhr. Mr. de Brauw’ te citeren. Men neemt de druk van de ketel en maakt een ondergrondse bedreiging onschadelijk door er een publieke curiositeit, niet meer dan een eendagsvlieg, van te maken. Het is de zegen van de persvrijheid. Een krant heeft de plicht, net als elke burger, met open vizier te strijden en niet te verzwijgen wat men liever niet wil horen. Juist door de aandacht van de media, met hun hang naar informatie, verbleekt elke anonimiteit tot lafheid.
De regering onderneemt geen overdreven actie – zinloos omdat ze terroristen in hun eigenwaan zou stijven – en de pers doet niet aan een zelfcensuur die alleen maar suggestief zou werken. Zonder enige tegenstem, door doodgewoon de andere kant op te kijken, zal het geweld als vanzelf verslappen en een zachte dood sterven. Door niemand betreurd.
Wat zijn we toch een wijs, voorzienig volk.

(1988)

zaterdag 5 juli 2008

Armoedegrens

Toen hij zijn vrouw naar de Lidl had gestuurd omdat de vaatwasparels daar 30 cent goedkoper waren, begaf hij zich met 150 toiletrollen op weg naar het voetbalstadion.

Panta rhei

Als je bedenkt dat het heel dicht bij iemand komen erotisch is, en dat je het dichtst bij iemand komt als je iemand doodt, als je bedenkt dat het doden van duizenden een duizendmaal groter machtsgevoel en erotische oppepper moet geven en dat deze sensatie met tienduizend, honderdduizend, een miljoen doden alleen maar navenant toeneemt, als je bedenkt dat we over de mogelijkheid beschikken om in onze fantasie steeds weer de herinneringen aan die miljoen doden levend te houden zonder meteen naar de wapens te grijpen, dan begrijp je niet dat presidenten en koningen niet voor het oog van de camera klaarkomen wanneer ze weer eens een krans leggen bij een oorlogsmonument.

vrijdag 30 mei 2008

Archiefservice

Beurskens is vergeetachtig. Hij verzuimt erbij te vermelden dat hij pas kenbaar maakte uit alle bloemlezingen te willen die ik ooit maakte of ooit nog zou maken toen ik een artikel publiceerde over zijn laatste roman, hoe heette die ook alweer. Dat moet in 2006 zijn geweest. Meteen na de publicatie begon hij te klagen bij mijn uitgever. Schuimbekken mag je het gerust noemen, terwijl 't toch een heel mild artikel was.
Het is nooit gebundeld, dus voor het gemak laat ik het hier even volgen.


De lezer verkeert in een crisis, geloof me. Ik ben zelf lezer. De lezer wil een mooi boek van een goed schrijver, of een goed boek van een mooi schrijver, meer niet. Een boek uit het middenveld, het veld waar de punten worden gescoord en de klappen uitgedeeld. Maar de lezer krijgt boeken uit de zijlijn voorgeschoteld, uit regionen ver achter de zijlijn. Ik bedoel niet de boeken van excentrieken of idioten, die vormen het geheime middenveld, het schaduwmiddenveld, ik bedoel de maakboeken, de would-be-boeken, de ophoestboeken, de instantboeken, de boeken die dik maken en vadsig.

Aan de ene kant van de zijlijn bevindt zich de leesvoerfabriek, een globale industrie die op volle toeren werkt. Stel u alle romanschrijvers voor, duizenden in Frankrijk en duizenden in Duitsland, duizenden in Scandinavië en ook in Nederland een schrikwekkend aantal, die op dit moment op hun hoofd krabben en aan het tikken, dicteren en neerpennen slaan om ons ook het komende seizoen van tienduizenden nieuwe romans te voorzien! Bij de aanvang van elk leesseizoen bevangt me een romanfobie.
Achter de andere zijlijn zijn de priegelaars bezig met de voorbereiding van hun verrassingen. De schrijvers van de campus en het laboratorium die taalzwangere cocktails brouwen om er hun uitleggers mee dronken te voeren. Hun boeken bereiken ook boekhandel en krantenredactie maar zijn bedoeld om, over de hoofden van de lezers heen, rechtstreeks het zenuwcentrum te raken van de andere bewoners van campus en laboratorium. Boeken van academici die zich, de brede baan en het weidse gebaar versmadend, storten op de vierkante centimeter om daarin meer wijsheid, versleutelingen en verwijzingen onder te brengen dan wij arme, gemiddelde lezers kunnen verwerken. Boeken die appelleren aan puzzeldrift, meerduidigheidsdeficiënt en orakelbehoefte.
Naast de leesvoerfabriek de sekte van de navelstaarders.
Twee uitersten van een regenboog.
De roman Albinoziel van Huub Beurskens is exemplarisch gepriegel.

Terwijl de vertellers hun lezers denken te boeien met een woeste driehoeksverhouding of een dolzinnige depressie, met overspel of huisvrouwen-revolte, meent Beurskens zijn lezers te kunnen vangen met metamorfosen, anagrammen, perspectiefverschuivingen, persoonsverwisselingen, gender-uitruil, trompe-l’oeils, translocaties, spiegeleffecten, herhalingen, palimpsesten en tijdsomkeringen. Hij voert een uitgever op die een brief schrijft aan een auteur, alias kunsthistoricus, die in Zwitserland een manuscript onder zijn beheer heeft gekregen, waarin verschillende mensen die zichzelf niet zijn en ook elkaar niet zijn in drie al of niet verschillende tijdsperioden zichzelf en elkaar bekijken of juist niet bekijken of achterstevoren bekijken, waarna de kunsthistoricus in een quasi-wetenschappelijk commentaar de personen koppelt aan artistieke modernisten en in een quasi-essayistisch antwoord aan de uitgever tussen de regels door verklaart dat hij het wel eens over zichzelf en zijn Limburgse jeugd gehad kon hebben – om uiteindelijk te ondertekenen met Leonard Liebezeit, het anagram van Tedere Albinoziel, de hoofdfiguur of zijfiguur of liefdesfiguur of blancofiguur uit het eerdere Zwitserse manuscript. Zoiets.
Ren naar de boekhandel!

Huub Beurskens moet wel een dichter zijn. In zijn boek schieten dropwaterkleurige eucalyptusbomen uit de grond en we komen er zinnen tegen als ‘Druifhyacinten bloeiden diepblauw in de greppels’ en ‘Bliksemkronkels kraakten de blauwzwarte lucht’ en ‘De wind tilt broze asvlinders uit de bak’.
Straks is het boek nog uitverkocht.
’t Hele verstoppertje-gedoe, de zelfrelativerende commentaren, het meta-literaire tegen elkaar uitspelen van fictie en autobiografie en de zware symboliek kunnen niet verhelen dat het uiteindelijk draait om die ene bekentenis, grondig verpakt en van de nodige artistieke en burgerlijke excuses voorzien, dat het je bij de strot grijpt ‘wanneer een hemelse gestalte van vlees en bloed in je leven verschijnt op een ogenblik dat je er zevenendertig jaar te laat voor bent’.
Lerarenverdriet. Ouwemannengesop.

Even heeft de schrijver het zelfs over zijn ‘beurse, lichtschuwe albino-ziel’. Je mag in een boek met zoveel naamspelletjes daar gerust een verwijzing naar Beurskens in zien. Even ook heeft hij het over ‘particuliere zieleroerselen’. Het vliegt voorbij, de afstand tussen oude man en jong ding wordt gered, ook letterkundig: ‘Ik bespeur een prettige endogene tinteling in mijn scrotum die gepaard gaat met een lichte sensatie van acrofobie.’
Dat wordt straks niks in bed, dat spreekt.
Albinoziel is bedoeld als een constructie met één kiertje om ons doorheen te laten kijken. Maar er valt niets te zien. De kier laat je onberoerd.

Tot vervelens toe hoor je palaveren over crisissen waarin schrijvers verkeren. Nu eens hebben ze dit, dan hebben ze dat. Of ze kunnen even niet schrijven, of ze verbeelden zich dat ze even niet kunnen schrijven, of ze schroeven hun ambitie steeds hoger op zodat ze het zelf niet meer kunnen bijbenen, of ze laten zich afleiden door verzoeken om van alles en nog wat, maar wie schenkt eindelijk eens aandacht aan de lezerscrisis? Lezen willen de mensen, ze snakken naar boeken. Boeken doen ze goed en boeken staan ze goed – dan is het toch godgeklaagd dat uitgerekend een boek ze kopschuw voor boeken zou maken?

Ruiterlijke erkenning

De onvermoeibaar vertaalde poëet Huub Beurskens schrijft op zijn weblog:

Zo staan er enkele gedichten van mij in de bekende bloemlezing van Gerrit Komrij. Ik wou en wil die gedichten daar niet in hebben. Niet alleen is de keuze ervan slecht: de bloemlezer toont met die keuze een gebrek aan smaak of hij is perfide. Om toestemming is mij niet gevraagd. Ik wou nooit en ik wil nimmer in die bloemlezing. Ik wil eruit! Beter vergeten dan met gebakken peren in de Komrij gezeten.
Fijn uit zijn eigen mond te horen dat hij minstens 'enkele' gedichten heeft geschreven die hij zelf het aanzien niet waard vindt.